Technologierecht in 2026: wat startups en scale-ups echt moeten weten

Technologierecht is geen bijzaak meer
Voor veel techbedrijven zit technologie niet meer aan de rand van de operatie, maar in het hart ervan. Producten draaien op software, teams werken met AI, processen zijn datagedreven en dienstverlening verloopt digitaal. Daarmee verschuift ook het juridische speelveld.
Waar technologierecht vroeger soms werd gezien als een specialistisch hoekje van IT-contracten en privacy, raakt het inmiddels aan veel bredere vragen. Denk aan hoe je AI verantwoord inzet, hoe je digitaal laat ondertekenen, welke data je moet delen, hoe je omgaat met cyberincidenten en wie aansprakelijk is als software of een digitaal product schade veroorzaakt.
Voor startups en scale-ups is dat extra relevant. Juist jonge groeibedrijven bewegen snel, testen nieuwe technologie vroeg en werken vaak met schaalbare digitale producten of diensten. Dan is het belangrijk om te weten welke regels niet alleen op papier bestaan, maar ook echt doorwerken in je productontwikkeling, contracten, governance en risicobeheersing.
AI-regels krijgen steeds meer tanden
De AI Act heeft een risicogebaseerde opzet. Dat betekent dat niet ieder AI-systeem op dezelfde manier wordt behandeld. De zwaarte van de verplichtingen hangt af van het risico dat een systeem oplevert voor gezondheid, veiligheid of fundamentele rechten.
In grote lijnen wordt gewerkt met vier categorieën: onaanvaardbaar risico, hoog risico, beperkt risico en laag of minimaal risico. Dat lijkt overzichtelijk, maar in de praktijk vraagt die indeling al snel om een scherpe juridische en operationele beoordeling.
Verboden AI is echt verboden
Voor AI-systemen met een onaanvaardbaar risico geldt een verbod. Het gaat dan om toepassingen die volgens de Europese wetgever niet verenigbaar zijn met de fundamentele waarden binnen de EU. Voorbeelden zijn systemen die mensen subliminaal manipuleren, misbruik maken van kwetsbaarheden, ongericht gezichtsbeelden verzamelen voor herkenningsdatabanken, social scoring of realtime biometrische identificatie in de openbare ruimte.
Voor startups klinkt dat misschien ver van het bed, maar dat is niet altijd zo. Ook een jonge onderneming kan functionaliteiten bouwen of integreren die op het eerste gezicht innovatief lijken, maar juridisch direct in de gevarenzone zitten. Zeker wanneer een product werkt met beeld, profiling, gedragsbeïnvloeding of synthetische content, is een snelle technische sprint niet genoeg. Dan moet je eerst weten of de functie überhaupt is toegestaan.
Daarnaast speelt dat organisaties die AI inzetten ook aandacht moeten besteden aan AI-geletterdheid. Met andere woorden: er wordt verwacht dat binnen een organisatie kennis en bewustzijn bestaat over het gebruik van AI. Voor scale-ups die AI breed uitrollen binnen sales, HR, support of productteams is dat geen theoretisch punt, maar een praktisch organisatievraagstuk.
Hoog-risico AI vraagt om serieuze compliance
Het zwaartepunt van de AI Act ligt bij hoog-risico systemen. Dat zijn AI-systemen die een aanzienlijk risico kunnen opleveren voor gezondheid, veiligheid of fundamentele rechten. Dat kan bijvoorbeeld spelen als AI onderdeel is van gereguleerde producten, maar ook wanneer AI wordt ingezet in gevoelige domeinen zoals biometrie, onderwijs, personeelsselectie, kredietwaardigheid, rechtshandhaving of bepaalde publieke diensten.
Voor startups en scale-ups is vooral van belang dat de kwalificatie niet alleen afhangt van de technologie zelf, maar ook van de context waarin die wordt gebruikt. Een tool die cv’s sorteert of kandidaten beoordeelt, kan juridisch in een heel ander regime vallen dan een generieke productiviteitsapp. Hetzelfde geldt voor AI-oplossingen die worden aangeboden aan partijen in gereguleerde sectoren.
Daar komt bij dat de AI Act onderscheid maakt tussen verschillende rollen, zoals de aanbieder en de gebruiksverantwoordelijke. Dat is belangrijk voor bedrijven die niet alleen zelf technologie ontwikkelen, maar ook modellen van derden integreren, white-label oplossingen aanbieden of AI onder eigen merk op de markt brengen. In de praktijk is de vraag dus niet alleen: wat doet het systeem? Maar ook: in welke rol opereert jouw bedrijf precies?
Voor groeibedrijven is dat relevant bij investeringen, procurement en commerciële contracten. Wie AI bouwt of verkoopt, moet vroeg nadenken over documentatie, verantwoordelijkheidsverdeling, productclaims en interne controle. Wie AI vooral gebruikt, moet weten welke gebruiksvoorwaarden, instructies en beperkingen gelden.
Transparantie blijft ook bij lichtere AI relevant
Niet alle AI valt in de zwaarste categorieën. Voor systemen met beperkt risico gelden vooral transparantieverplichtingen. Een gebruiker moet bijvoorbeeld kunnen begrijpen dat hij met een AI-systeem interacteert. Ook AI-gegenereerde content moet als kunstmatig herkenbaar zijn.
Dat is vooral relevant voor bedrijven die chatbots, gegenereerde teksten, synthetische beelden of geautomatiseerde klantinteractie inzetten. In de praktijk zien wij dat juist dit type tooling snel wordt uitgerold omdat het commercieel aantrekkelijk en technisch laagdrempelig is. Maar ook dan geldt: een handige feature is nog niet automatisch juridisch neutraal.
Elektronisch ondertekenen blijft praktisch, maar niet risicoloos
Digitale contractvorming is voor startups vaak de standaard. Aandeelhoudersdocumentatie, arbeidsovereenkomsten, SaaS-contracten en commerciële deals worden zelden nog met natte handtekening rondgestuurd. Toch betekent elektronisch ondertekenen niet dat iedere vorm van digitale instemming automatisch dezelfde juridische positie heeft.
De regels maken onderscheid tussen de gewone, geavanceerde en gekwalificeerde elektronische handtekening.
Een gewone elektronische handtekening kan bijvoorbeeld bestaan uit een gescande handtekening of een getypte naam onder een e-mail. Een geavanceerde elektronische handtekening moet sterker zijn gekoppeld aan de ondertekenaar en zodanig zijn ingericht dat identificatie mogelijk is en wijzigingen achteraf zichtbaar worden. De gekwalificeerde elektronische handtekening is de zwaarste variant en heeft in de EU dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening.
De vraag is vaak niet of iets handig is, maar of het voldoende betrouwbaar is
Voor gewone en geavanceerde elektronische handtekeningen geldt in Nederland dat zij dezelfde rechtsgevolgen kunnen hebben als een gekwalificeerde handtekening, mits de gebruikte methode voldoende betrouwbaar is gelet op het doel en de omstandigheden van het geval.
Precies daar zit in de praktijk de nuance. De wet geeft namelijk niet in algemene zin aan wanneer aan die betrouwbaarheidstoets is voldaan. Daardoor is het lastig om standaard te zeggen dat één tool of werkwijze altijd genoeg is.
Bij eenvoudige transacties zal een lichtere vorm vaak eerder volstaan. Naarmate de belangen groter worden of de transactie complexer is, neemt het belang toe van een steviger vorm van ondertekenen. Voor startups en scale-ups is dat relevant bij investeringsrondes, governance-documentatie, IP-overdrachten en andere afspraken waarvan je later echt bewijs wilt kunnen leveren.
Als achteraf discussie ontstaat over de betrouwbaarheid van een elektronische handtekening, kan dat direct doorwerken in de bewijskracht van het document. Dan draait het niet alleen om de vraag of een overeenkomst inhoudelijk wenselijk was, maar ook of je nog goed kunt aantonen dat die rechtsgeldig tot stand is gekomen.
Leg bewijsafspraken niet te lichtzinnig vast
Een praktisch relevant punt is dat partijen vooraf afspraken kunnen maken over het betrouwbaarheidsniveau van een gewone of geavanceerde elektronische handtekening. Daarmee kan onduidelijkheid in bewijsdiscussies worden beperkt.
Voor groeiende bedrijven is dat geen overbodige luxe. Zeker wanneer veel contracten op afstand worden gesloten en verschillende teams zelfstandig overeenkomsten laten ondertekenen, loont het om een duidelijke signing policy te hebben. Niet iedere overeenkomst vraagt hetzelfde niveau van zekerheid. Maar zonder interne lijn ontstaat al snel een lappendeken van tools, processen en bewijsrisico’s.
De European Digital Identity Wallet kan digitale identificatie veranderen
De herziening van eIDAS heeft de basis gelegd voor de European Digital Identity Wallet, vaak afgekort als de EUDI Wallet. Deze digitale portemonnee moet het mogelijk maken om identiteitsgegevens, inloggegevens en andere attributen veilig op te slaan en gecontroleerd te delen voor online en offline authenticatie.
Een belangrijk uitgangspunt is dat de gebruiker zelf de controle houdt over zijn persoonsgegevens. Tegelijk gelden strenge eisen voor veiligheid en gegevensverwerking.
Voor natuurlijke personen moet deze wallet kosteloos beschikbaar zijn. Lidstaten moeten uiterlijk eind 2026 ten minste één gecertificeerde wallet aanbieden. In Nederland wordt gewerkt aan een publieke NL-wallet.
Wat betekent dat voor techbedrijven?
Voor startups en scale-ups is dit vooral interessant omdat digitale identificatie en vertrouwen steeds belangrijker worden in online dienstverlening. Bedrijven die werken met onboarding, accounttoegang, digitale verificatie of ondertekening kunnen te maken krijgen met nieuwe verwachtingen van gebruikers en mogelijk ook met nieuwe technische integraties.
Daarbij kan de wallet ook invloed hebben op de manier waarop elektronische handtekeningen worden gezet. De verwachting is dat gekwalificeerde elektronische handtekeningen toegankelijker worden wanneer zij via dit soort infrastructuur eenvoudiger beschikbaar komen.
Voor techbedrijven betekent dit niet dat vandaag alles anders moet. Wel is het verstandig om in productontwikkeling en compliance alvast rekening te houden met een toekomst waarin betrouwbare digitale identificatie vaker gestandaardiseerd en breder inzetbaar wordt. Zeker voor platforms, fintechs, HR-tech, healthtech en B2B-software met identificatieprocessen is dat een ontwikkeling om scherp te volgen.
DORA raakt niet alleen financiële instellingen, maar ook hun techleveranciers
Sinds januari 2025 is DORA van toepassing. Deze verordening bevat uniforme regels voor de digitale operationele weerbaarheid van financiële instellingen. Het doel is om ICT-risico’s beter te beheersen en versnipperde regels binnen Europa te harmoniseren.
Op het eerste gezicht lijkt DORA vooral een onderwerp voor banken, verzekeraars en andere financiële instellingen. Maar voor startups en scale-ups is de impact vaak indirect minstens zo groot.
Lever je aan de financiële sector, dan kom je DORA vanzelf tegen
Veel jonge techbedrijven leveren software, cloudoplossingen, dataoplossingen of andere digitale diensten aan partijen in de financiële sector. Zodra je in die keten zit, gaan DORA-eisen vaak doorwerken in contractonderhandelingen, due diligence, security-vragenlijsten, auditrechten en operationele verplichtingen.
DORA bevat onder meer regels over ICT-risicobeheer, incidentrapportage en uitbesteding. Daarnaast is er gedelegeerde regelgeving die onderwerpen verder invult, zoals classificatie en rapportage van incidenten, aandachtspunten voor uitbestedingsbeleid, criteria voor onderaanneming en het bijhouden van informatieregisters over ICT-contracten.
Voor leveranciers betekent dit dat klanten in de financiële sector vaker diepgaand willen weten hoe je beveiliging, continuïteit, governance en subcontracting hebt ingericht. Dat vraagt om volwassen contracten en processen. Een startup die technisch sterk is maar operationeel nog weinig heeft vastgelegd, kan daar commercieel op vastlopen.
De afbakening van ICT-diensten is belangrijk
Een relevante ontwikkeling is dat verduidelijkt is wanneer een dienst met ICT-aspecten onder DORA als ICT-dienst wordt gezien. Als een dienst primair een gereguleerde financiële dienst is en ICT daarin slechts ondersteunend of onlosmakelijk verweven is, valt die dienst niet automatisch onder het ICT-dienstbegrip van DORA. Gaat het om een zelfstandige dienst die voldoet aan de definitie van ICT-diensten, dan kan dat anders liggen.
Voor techleveranciers is dat onderscheid van belang. Het bepaalt mede welke contractuele verwachtingen ontstaan en in hoeverre klanten je als een relevante DORA-leverancier behandelen.
Ook is van belang dat bepaalde ICT-leveranciers als kritisch kunnen worden aangewezen. Dat onderstreept dat de Europese toezichthouders ketenafhankelijkheid in digitale dienstverlening steeds serieuzer benaderen.
De Data Act zet druk op data-toegang en uitstapbaarheid
De Data Act is sinds september 2025 van toepassing en brengt een nieuw regime voor toegang tot en gebruik van data. Voor veel techbedrijven is dit een van de meest praktische digitale regels, juist omdat de verordening diep ingrijpt in producten, diensten en contracten.
De verordening kent grofweg twee hoofdthema’s: data uit verbonden producten en gerelateerde diensten, en regels voor dataverwerkingsdiensten zoals SaaS, IaaS en PaaS.
Data uit slimme producten moet beter toegankelijk worden
Bij verbonden producten, zoals slimme apparaten en andere IoT-oplossingen, krijgen gebruikers recht op toegang tot data die door hun gebruik worden gegenereerd. Idealiter gebeurt dat rechtstreeks. Als dat niet mogelijk is, moet de gegevenshouder de data alsnog beschikbaar stellen.
Daarnaast kunnen gebruikers verlangen dat die data aan derden worden verstrekt, behalve bij misbruik. Tegelijk bevat het regime ook waarborgen voor gegevenshouders, bijvoorbeeld rond bedrijfsgeheimen, technische beschermingsmaatregelen en het verbod om ontvangen data te gebruiken om concurrerende producten te ontwikkelen.
Voor startups die connected products bouwen of exploiteren, betekent dit dat data niet langer alleen een intern asset-vraagstuk is. Ook de vraag wie toegang krijgt, in welke vorm, tegen welke voorwaarden en met welke bescherming wordt juridisch relevant. Productarchitectuur, API-keuzes en contracten raken daarmee direct aan compliance.
Vendor lock-in wordt nadrukkelijker aangepakt
Het tweede grote thema is het tegengaan van vendor lock-in bij dataverwerkingsdiensten. Overstappen tussen aanbieders moet reëel mogelijk zijn. Dat vergt niet alleen contractuele ruimte, maar ook technische voorzieningen.
Aanbieders mogen overstappen niet belemmeren, moeten transparant zijn over beperkingen en een online register bijhouden met relevante gegevensstructuren, dataformaten en interoperabiliteitsspecificaties. Overeenkomsten moeten bovendien bepaalde minimumelementen bevatten, zoals een maximale opzegtermijn van twee maanden. Vanaf januari 2027 mogen geen overstapkosten meer in rekening worden gebracht.
Voor SaaS-bedrijven en cloudgerichte scale-ups is dit een stevige boodschap. Groei wordt vaak gebouwd op klantretentie, maar die mag niet leunen op juridische of technische frictie die overstappen kunstmatig bemoeilijkt. De commerciële reflex om klanten zo lang mogelijk vast te houden, moet dus worden afgewogen tegen regels die juist mobiliteit en interoperabiliteit willen bevorderen.
Dat vraagt om scherpe contractreview, maar ook om productkeuzes. Hoe exporteerbaar zijn data? Hoe transparant ben je over beperkingen? En hoe richt je offboarding in zonder de klant onnodig klem te zetten?
NIS2 zet cyberzorgplicht en meldplicht hoger op de agenda
Nederland loopt achter met de implementatie van NIS2. De implementatie moet plaatsvinden via de Cyberbeveiligingswet, maar de kern van de ontwikkeling is al duidelijk: voor veel organisaties komt cyberweerbaarheid steviger in het juridisch kader te staan.
NIS2 maakt onderscheid tussen essentiële en belangrijke entiteiten. Dat onderscheid is vooral relevant voor toezicht en handhaving. Het toepassingsbereik hangt in belangrijke mate af van de sector waarin een onderneming actief is.
Cybersecurity wordt een bestuurs- en organisatiethema
De kernverplichtingen onder NIS2 zijn de zorgplicht en de meldplicht. De zorgplicht houdt in dat passende en evenredige technische, operationele en organisatorische maatregelen moeten worden genomen om risico’s voor netwerk- en informatiesystemen te beheersen en incidenten te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken.
Voor startups en scale-ups betekent dit dat cybersecurity steeds minder alleen een IT-vraag is. Het raakt governance, leverancierskeuzes, documentatie en besluitvorming. Zeker voor bedrijven in digitale infrastructuur of ICT-dienstverlening kan de inhoud van die verplichtingen verder worden ingekleurd via Europese uitvoeringsregels.
Een opvallend element is de pas-toe-of-leg-uit-benadering voor bepaalde entiteiten. Als een maatregel volgens een organisatie niet passend, niet van toepassing of niet haalbaar is, moet dat begrijpelijk worden gedocumenteerd. Dat laat zien dat compliance hier niet alleen gaat om doen, maar ook om kunnen uitleggen.
Incidenten moeten gefaseerd worden gemeld
De meldplicht onder NIS2 is ook praktisch relevant. Significante incidenten moeten gefaseerd worden gemeld aan de bevoegde autoriteit en het aangewezen CSIRT. De melding bestaat dus niet uit één los bericht, maar uit een proces met een vroegtijdige waarschuwing en opvolgende updates.
Voor ondernemingen die binnen het bereik vallen, betekent dat dat een incident response plan niet alleen technisch moet werken, maar ook juridisch en organisatorisch. Je moet immers tijdig kunnen beoordelen of een incident significant is, welke gevolgen zichtbaar zijn, welke maatregelen zijn genomen en wat de herstelprognose is.
Juist voor snelgroeiende techbedrijven, waar processen soms nog in ontwikkeling zijn, kan dat een kwetsbaar punt zijn. Niet omdat er geen goede engineers zijn, maar omdat verantwoordelijkheden, escalatielijnen en documentatie nog onvoldoende strak zijn ingericht.
Software en digitale diensten komen nadrukkelijker in beeld bij productaansprakelijkheid
Een van de meest ingrijpende ontwikkelingen voor techbedrijven is de vernieuwing van het productaansprakelijkheidsregime. De nieuwe richtlijn actualiseert klassieke regels voor een digitale economie waarin software, AI en digitale diensten steeds centraler staan.
Software is niet langer een randgeval
Een belangrijke wijziging is dat software expliciet als product wordt aangemerkt, ongeacht de wijze van levering. Ook digitale fabricagebestanden en bepaalde digitale diensten die nodig zijn voor het functioneren van een product vallen binnen de reikwijdte.
Voor startups en scale-ups is dat fundamenteel. Waar productaansprakelijkheid vroeger vaak vooral werd geassocieerd met fysieke producten, komt nu ook software veel nadrukkelijker in beeld. Dat is relevant voor ondernemingen die apps, embedded software, cloudgestuurde functionaliteiten of softwaregedreven apparaten ontwikkelen.
Tegelijk geldt dat source code en gratis open source software buiten de reikwijdte vallen. Dat nuanceert het beeld, maar neemt niet weg dat commerciële softwareproducten en digitale diensten juridisch veel zichtbaarder worden in aansprakelijkheidsdiscussies.
Meer partijen kunnen aansprakelijk zijn
Niet alleen producenten en importeurs kunnen in beeld komen. Ook andere marktdeelnemers, zoals partijen die producten ingrijpend wijzigen, aanbieders van bijbehorende digitale diensten en in bepaalde gevallen online platforms, kunnen aansprakelijk worden gehouden.
Voor het startup-ecosysteem is dat belangrijk. Veel bedrijven opereren niet in één klassieke rol. Ze ontwikkelen, integreren, distribueren, hosten, updaten en schalen via platforms of partners. Daardoor kan de vraag wie juridisch verantwoordelijk is complexer worden naarmate producten digitaler en meerlaagser zijn opgebouwd.
Ook het begrip gebrekkigheid is verbreed met digitale aspecten, zoals cyberbeveiligingsvoorschriften, de verbondenheid van producten, het vermogen om te blijven leren en het uitblijven van noodzakelijke veiligheidsupdates. Dat maakt aansprakelijkheid niet alleen een kwestie van een fout bij aflevering, maar ook van doorlopende digitale verantwoordelijkheid.
De positie van benadeelden wordt sterker
De nieuwe regels versterken ook de positie van benadeelden. De bewijslast wordt verlicht via bewijsvermoedens en er komt meer ruimte om toegang te krijgen tot relevant bewijsmateriaal, vooral bij technisch complexe producten.
Daarnaast is het schadebegrip verruimd. Niet alleen personenschade en zaakschade in de privésfeer tellen mee, maar ook verlies of corruptie van niet-beroepsmatig gebruikte data.
Voor techbedrijven betekent dit dat productveiligheid, updatebeleid, logging, documentatie en interne besluitvorming nog belangrijker worden. Niet alleen om schade te voorkomen, maar ook om later te kunnen uitleggen welke keuzes zijn gemaakt en welke veiligheidsmaatregelen zijn genomen.
Wat founders en legal teams hier vandaag al mee kunnen doen
Al deze ontwikkelingen hebben hun eigen tempo, reikwijdte en detailniveau. Toch zit er een duidelijke rode draad in: Europese digitale regelgeving verschuift van abstract beleid naar concrete verplichtingen die direct ingrijpen in producten, processen en contracten.
Voor startups en scale-ups is het daarom verstandig om niet per onderwerp in silo’s te denken. AI, data, cyberweerbaarheid, digitale identificatie en aansprakelijkheid hangen in de praktijk vaak samen. Een AI-feature kan raken aan transparantie, contracten, bewijs, security en productverantwoordelijkheid tegelijk.
Bij Startup-Recht zien we regelmatig dat de grootste risico’s niet ontstaan doordat een bedrijf helemaal niets doet, maar doordat juridische, technische en operationele keuzes los van elkaar worden gemaakt. Een productteam bouwt iets nieuws, sales sluit daar contracten op, operations regelt de tooling en legal haakt pas aan als er al een klant of investeerder doorvraagt. Dan loop je sneller achter de feiten aan.
Een betere aanpak is om vroeg te bepalen waar jouw bedrijf echt geraakt wordt. Gebruik je AI of lever je AI-oplossingen? Werk je met digitale ondertekening in cruciale processen? Bouw je op data uit connected products? Lever je aan financiële instellingen? Val je mogelijk onder NIS2? En ontwikkel je software of digitale diensten die straks nadrukkelijker onder productaansprakelijkheid kunnen vallen?
Wie die vragen tijdig stelt, kan veel beter prioriteren.
Conclusie: technologierecht wordt volwassen, en jouw bedrijf moet mee
Technologierecht is in 2026 geen verzameling losse specialistische regels meer. Het is een volwassen juridisch speelveld geworden waarin Europese wetgeving steeds directer doorwerkt in hoe techbedrijven bouwen, verkopen, beveiligen en opschalen.
Voor startups en scale-ups is de kernboodschap helder: wacht niet tot compliance een rem wordt. Gebruik deze ontwikkelingen juist om je product, processen en contracten slimmer en toekomstbestendiger in te richten. Bedrijven die dat goed doen, verkleinen niet alleen hun juridische risico’s, maar bouwen ook meer vertrouwen op bij klanten, investeerders en partners.



















