Tweehandtekeningenclausule bij de BV: wanneer is de vennootschap wel of niet gebonden?

Voor veel startups en scale-ups klinkt het logisch: als een bestuurder al vaker zelfstandig heeft gehandeld, dan zal dat deze keer ook wel goed zitten. Juridisch ligt dat een stuk formeler. Bij de BV is niet alleen relevant wat in de dagelijkse praktijk gebeurt, maar vooral wat de wet en de statuten zeggen over wie de vennootschap extern mag binden.
Dat is vooral belangrijk bij een tweehandtekeningenclausule. Zo’n clausule bepaalt dat de BV alleen geldig wordt vertegenwoordigd als twee bevoegde personen samen handelen. In de praktijk is dat bedoeld als waarborg: niet één bestuurder alleen, maar gezamenlijke vertegenwoordiging. Voor techbedrijven met meerdere founders, investeerders aan tafel of een groeiend managementteam is dat geen detail, maar een regel met directe impact op contracten, financieringen en commerciële afspraken.
Waarom dit onderwerp voor startups en scale-ups zo relevant is
Bij Startup-Recht zien we regelmatig dat jonge bedrijven hun governance pas echt serieus gaan voelen zodra er iets misloopt. In de beginfase werkt een startup vaak informeel. Founders spreken onderling af wie deals oppakt, wie met leveranciers schakelt en wie documenten ondertekent. Zolang alles goed gaat, lijkt dat efficiënt. Het probleem ontstaat pas wanneer een overeenkomst wordt betwist en de vennootschap of de wederpartij ineens teruggrijpt op de statuten.
Juist in snelgroeiende ondernemingen kan de dagelijkse praktijk gaan afwijken van de formele inrichting. Een bestuurder treedt zelfstandig naar buiten, contracteert vaker alleen en niemand maakt daar een punt van. Toch betekent dat nog niet automatisch dat die bestuurder extern ook zelfstandig bevoegd is. De kern van het vertegenwoordigingsrecht bij de BV is namelijk dat het formele regime leidend blijft, juist om rechtszekerheid in het handelsverkeer te beschermen.
Voor startups en scale-ups is dat een belangrijke les. Informele werkafspraken kunnen intern prima werken, maar naar buiten toe geven zij lang niet altijd dezelfde juridische zekerheid als het team denkt te hebben.
Hoe de vertegenwoordigingsbevoegdheid van een BV in de basis werkt
Het wettelijke vertrekpunt staat in artikel 2:240 BW. Het bestuur vertegenwoordigt de vennootschap. Daarnaast kent de wet in beginsel ook vertegenwoordigingsbevoegdheid toe aan iedere afzonderlijke bestuurder, tenzij de statuten dat anders regelen. Daarmee biedt de wet dus een hoofdregel én ruimte om daarvan statutair af te wijken.
Die systematiek is bewust formeel ingericht. Derden moeten in beginsel kunnen vertrouwen op een duidelijk en kenbaar vertegenwoordigingsregime. Zij hoeven niet bij iedere overeenkomst uit te pluizen welke interne afspraken bestuurders met elkaar hebben gemaakt of of intern alle besluitvorming correct is verlopen. Dat zou het handelsverkeer onwerkbaar maken.
Tegelijk maakt de wet een belangrijk onderscheid tussen interne en externe beperkingen. Niet iedere afspraak of voorwaarde die binnen de BV geldt, werkt automatisch ook naar buiten. Dat onderscheid is cruciaal, zeker voor bedrijven die in korte tijd veel contracten sluiten.
Welke beperkingen wel en geen externe werking hebben
Niet elke beperking op de handelingsvrijheid van bestuurders is ook tegenwerpbaar aan derden. Inhoudelijke beperkingen, zoals een maximumbedrag, of voorwaarden zoals voorafgaande goedkeuring van een ander orgaan, hebben in beginsel alleen interne werking. Zij kunnen dus relevant zijn voor de interne governance en mogelijk voor de aansprakelijkheid of onderlinge verhoudingen, maar niet automatisch voor de vraag of de BV extern gebonden is.
Dat ligt anders bij beperkingen die de wet expliciet toelaat als onderdeel van de vertegenwoordigingsstructuur. Een statutaire regeling van gezamenlijke vertegenwoordiging, zoals een tweehandtekeningenclausule, is daarvan het bekendste voorbeeld. Als zo’n regeling rechtsgeldig in de statuten is opgenomen en op de voorgeschreven manier kenbaar is, met name via het handelsregister, kan zij in beginsel wel externe werking hebben.
Dat formele onderscheid is geen juridisch detail. Het bepaalt of een wederpartij mag zeggen: “ik wist dat intern nog goedkeuring nodig was, maar de BV is toch gebonden”, of dat de BV juist kan tegenwerpen: “deze bestuurder mocht volgens de statuten niet alleen tekenen, dus er is geen geldige externe vertegenwoordiging geweest”.
Wat een tweehandtekeningenclausule in de praktijk betekent
Een tweehandtekeningenclausule is bedoeld om te voorkomen dat één bestuurder de BV zelfstandig bindt. De gedachte daarachter is helder: bepaalde ondernemingen willen extra controle op externe handelingen, bijvoorbeeld omdat het bestuur uit meerdere personen bestaat of omdat er behoefte is aan een ingebouwde check bij belangrijke transacties.
Voor startups en scale-ups kan dat heel logisch zijn. Denk aan bedrijven met twee oprichters, een operationeel bestuurder naast een technisch founder, of een governance-structuur waarin investeerders veel waarde hechten aan gezamenlijke besluitvorming. Dan voelt een tweehandtekeningenclausule als een nette waarborg. Maar die waarborg werkt alleen goed als de dagelijkse praktijk er niet structureel van afwijkt, of als iedereen ten minste begrijpt wat het juridische effect van zo’n afwijking is.
De belangrijkste boodschap is daarom simpel: een tweehandtekeningenclausule is niet slechts een intern procesafspraakje. Als zij statutair is verankerd en kenbaar is, kan zij bepalen of een contract de BV überhaupt bindt.
Kan de BV zich op die clausule beroepen als één bestuurder toch alleen handelt?
In beginsel wel. Als de statuten gezamenlijke vertegenwoordiging voorschrijven en die beperking correct kenbaar is gemaakt, dan geldt dat één bestuurder niet zelfstandig namens de BV kan optreden. Handelt die bestuurder toch alleen, dan raakt de vennootschap in beginsel niet gebonden.
Dat blijft in principe ook zo wanneer bestuurders intern iets anders met elkaar hebben afgesproken. Een interne afspraak dat ieder afzonderlijk mag handelen, verandert het formele externe regime niet. Hetzelfde geldt voor de situatie waarin de wederpartij gewend is geraakt aan individueel optreden van één bestuurder. Die bestendige praktijk is op zichzelf nog geen reden om de statutaire regeling opzij te zetten.
De rechtspraak laat precies die lijn zien. Het vertegenwoordigingsrecht van de BV is formeel, objectief en gericht op bescherming van de rechtszekerheid in het handelsverkeer. Interne afspraken, feitelijke routines en interne besluitvormingsvereisten zijn daarom niet zonder meer beslissend voor de externe gebondenheid van de vennootschap.
Waarom de feitelijke praktijk toch niet helemaal irrelevant is
Dat de formele lijn streng is, betekent niet dat de praktijk nooit een rol speelt. In uitzonderlijke gevallen kan het beroep van de BV op een statutaire beperking stranden. Dat is met name denkbaar wanneer het vertrouwen van de wederpartij niet alleen voortkomt uit het handelen van de bestuurder zelf, maar uit gedragingen of nalaten van de vennootschap.
Denk dan niet aan een losse eerdere transactie of een eenmalige vergissing. De lat ligt hoger. Het gaat om concrete omstandigheden waaruit volgt dat de vennootschap zelf de indruk heeft gewekt dat de bestuurder zelfstandig mocht handelen. Verschillende voorbeelden zijn: een bestuurder structureel zelfstandig naar buiten laten optreden, correspondentie of contractstukken op naam van die bestuurder laten uitgaan, of vergelijkbare transacties zonder voorbehoud accepteren en bekrachtigen zonder te wijzen op de statutaire beperking.
Ook dan is de uitkomst niet automatisch dat de BV gebonden is. De ruimte voor correctie blijft beperkt en wordt in de rechtspraak gekoppeld aan uitzonderlijke omstandigheden, waarbij een beroep op de formele beperking naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dat is nadrukkelijk geen lage drempel. Enkel het feit dat een wederpartij vaker met één bestuurder zaken heeft gedaan, is daarvoor volgens de besproken lijn niet genoeg.
De echte spanning: formele rechtszekerheid versus gewekt vertrouwen
De juridische kern zit dus in de spanning tussen twee belangen. Aan de ene kant wil het recht een helder, voorspelbaar en kenbaar systeem bieden. Derden moeten kunnen zien wie bevoegd is, zonder steeds achter interne besluiten, aandeelhoudersafspraken of informele werkpraktijken aan te moeten. Aan de andere kant kan het onredelijk voelen als een BV lange tijd een bestuurder zelfstandig laat handelen en zich pas op de statuten beroept zodra dat haar goed uitkomt.
Dee wet en rechtspraak laten zien dat die spanning in beginsel oplossen in het voordeel van de formele rechtszekerheid. Alleen in een kleine categorie uitzonderingsgevallen is er ruimte om te corrigeren. Voor ondernemers is dat misschien niet altijd intuïtief, maar juridisch wel begrijpelijk: zonder die formele lijn zou onduidelijk worden welke interne afspraken of feitelijke gewoonten derden telkens moeten meewegen.
Voor startups en scale-ups is dat een relevante reality check. Een soepel werkproces en een juridische bevoegdheidsstructuur zijn niet hetzelfde. Wie die twee door elkaar haalt, loopt risico op discussie over de geldigheid van contracten precies op het moment dat de belangen groot worden.
Wat founders, bestuurders en legal teams hiervan moeten meenemen
De eerste les is dat statuten niet alleen voor de aandeelhoudersvergadering of de dataroom zijn. Zij kunnen rechtstreeks bepalen of een ondertekende overeenkomst de BV bindt. Staat daarin een gezamenlijke vertegenwoordigingsregeling, dan is dat niet iets om in de operatie losjes mee om te gaan.
De tweede les is dat interne governance en externe vertegenwoordiging uit elkaar moeten worden gehouden. Een intern goedkeuringsvereiste, een bestuursafspraak of een werkverdeling binnen het founding team kan intern heel relevant zijn, maar heeft niet automatisch externe werking. Omgekeerd geldt dat een statutair verankerde beperking juist wel verstrekkende externe gevolgen kan hebben.
De derde les is dat consistent gedrag telt. Wie in de praktijk structureel afwijkt van de statutaire vertegenwoordigingsregeling, creëert niet meteen formele bevoegdheid, maar vergroot wel het risico op discussie over gewekt vertrouwen en de grenzen van een beroep op de statuten. Zeker voor scale-ups met veel commerciële contracten, procurement-trajecten of internationale counterparties is dat een punt om niet te laten versloffen.
Bij Startup-Recht zien we dat dit onderwerp vaak pas urgent wordt bij conflict, exit of financiering. Juist daarom is het verstandig om er eerder naar te kijken. Niet omdat elke afwijking direct fataal is, maar omdat onduidelijkheid over vertegenwoordiging precies het soort juridische ruis oplevert waar jonge groeibedrijven weinig aan hebben.
Conclusie
De hoofdregel is strak: bij de BV is het formele vertegenwoordigingsregime leidend. Als de statuten een tweehandtekeningenclausule bevatten en die regeling correct kenbaar is, dan kan de BV zich daar in beginsel op beroepen wanneer één bestuurder toch zelfstandig contracteert. Interne afspraken en feitelijke gewoonten doen daar niet zomaar aan af.
Tegelijk is het verhaal niet volledig zwart-wit. In uitzonderlijke situaties kan het beroep op die statutaire beperking stranden, met name wanneer de vennootschap zelf het vertrouwen heeft gewekt dat individuele vertegenwoordiging toch volstond. Maar die uitzondering blijft beperkt en vraagt om concrete, bijkomende omstandigheden. De lat ligt hoog.
Voor founders, bestuurders en legal teams is de praktische takeaway helder: kijk niet alleen naar hoe er binnen de onderneming wordt gewerkt, maar vooral naar hoe de vertegenwoordigingsbevoegdheid formeel is ingericht. Want juist daar wordt uiteindelijk bepaald of de BV aan een handtekening vastzit, of niet.


















