CFC-regeling voor startups en scale-ups: wanneer wordt buitenlandse winst in Nederland belast?

Internationaal opschalen kan fiscaal ingewikkelder worden zodra een Nederlandse startup belangen houdt in buitenlandse vennootschappen. Vooral bij buitenlandse entiteiten met passieve inkomsten kan de Nederlandse CFC-regeling ervoor zorgen dat winst al in Nederland wordt belast voordat die daadwerkelijk is uitgekeerd. Voor founders, CFO’s en legal teams is het daarom belangrijk om niet alleen naar de buitenlandse belastingdruk te kijken, maar ook naar de volledige groepsstructuur.
Fiscaal recht
Ondernemingsrecht
Insights
Maarten S. Talsma
29.08.2026

Wat is de CFC-regeling?

De CFC-regeling is een regeling binnen de Nederlandse vennootschapsbelasting voor zogenoemde Controlled Foreign Companies. Kort gezegd kan de regeling van toepassing zijn wanneer een Nederlandse belastingplichtige controle heeft over een lichaam dat is gevestigd in een aangewezen laagbelastende of niet-coöperatieve jurisdictie.

De kern van de regeling is dat bepaalde niet-uitgekeerde inkomsten van zo’n buitenlandse vennootschap onder voorwaarden worden opgenomen in de Nederlandse belastbare winst. Dat betekent dat niet altijd hoeft te worden gewacht totdat de buitenlandse vennootschap dividend uitkeert.

De regeling richt zich met name op situaties waarin mobiele activa en daarmee samenhangende inkomsten worden ondergebracht in een laagbelastende jurisdictie. Denk daarbij bijvoorbeeld aan immateriële activa. Juist voor techbedrijven is dat relevant, omdat een belangrijk deel van de waarde van een onderneming kan samenhangen met intellectuele eigendom en andere relatief eenvoudig internationaal te structureren activa.

De CFC-regeling geldt overigens niet alleen voor buitenlandse lichamen. Ook vaste inrichtingen kunnen onder een CFC-regime vallen. In deze blog staat de regeling voor belangen in buitenlandse lichamen centraal.

Waarom bestaat de CFC-regeling?

Nederland heeft traditioneel een internationaal georiënteerd belastingstelsel en een ruime deelnemingsvrijstelling. Daar staat tegenover dat de aandacht voor constructies waarbij winsten naar laagbelastende landen worden verschoven in de loop der jaren is toegenomen.

De Nederlandse CFC-regeling is sinds 1 januari 2019 onderdeel van de Wet op de vennootschapsbelasting en hangt samen met de Europese Anti Tax Avoidance Directive, meestal aangeduid als ATAD 1.

Die Europese richtlijn verplicht lidstaten om regels tegen belastingontwijking in hun nationale wetgeving op te nemen. De richtlijn geeft daarbij een minimumniveau van bescherming. Lidstaten mogen dus strengere regels hanteren dan strikt noodzakelijk is om aan de richtlijn te voldoen.

Bij de CFC-regels bood ATAD 1 verschillende manieren om buitenlandse inkomsten in de belastinggrondslag te betrekken. Nederland stelde zich op het standpunt dat een deel van de door de richtlijn verlangde aanpak al voortvloeide uit het Nederlandse arm’s-lengthbeginsel. Toch is daarnaast voor specifieke situaties een aanvullende CFC-maatregel ingevoerd.

Het praktische gevolg is dat een internationaal opererend bedrijf niet alleen moet beoordelen waar een buitenlandse vennootschap belasting betaalt. Ook de aard van haar inkomsten, de eigendomsverhoudingen binnen de groep en de economische activiteiten van die vennootschap kunnen van belang zijn.

Wanneer is een buitenlandse vennootschap een CFC?

Voor de toepassing van de Nederlandse regeling zijn in de kern twee vragen van belang:

  1. Heeft de Nederlandse belastingplichtige voldoende belang in het buitenlandse lichaam?
  2. Is dat lichaam gevestigd in een daarvoor aangewezen staat?

Pas wanneer aan de relevante voorwaarden wordt voldaan, komt de CFC-regeling in beeld. Vervolgens moet nog worden bekeken of een uitzondering van toepassing is en welke inkomsten daadwerkelijk in Nederland in aanmerking moeten worden genomen.

Voor startups en scale-ups betekent dit dat een analyse van alleen de directe aandeelhoudersverhouding niet voldoende hoeft te zijn. Indirecte belangen en belangen van gelieerde partijen kunnen eveneens meetellen.

De grens van meer dan 50 procent

Een buitenlandse vennootschap kan als gecontroleerd lichaam kwalificeren wanneer de Nederlandse belastingplichtige, alleen of samen met bepaalde gelieerde lichamen of natuurlijke personen, een belang van meer dan 50 procent heeft.

Daarbij bestaan verschillende manieren waarop aan die grens kan worden voldaan. Het kan gaan om:

  • meer dan 50 procent van de aandelen in het nominaal gestorte kapitaal;
  • meer dan 50 procent van de statutaire stemrechten;
  • een recht op meer dan 50 procent van de winst.

Deze criteria zijn alternatief. Een onderneming hoeft dus niet op alle drie de onderdelen boven de grens van 50 procent uit te komen.

Dat kan in de praktijk belangrijke gevolgen hebben. Een onderneming kan bijvoorbeeld minder dan de helft van de aandelen bezitten, maar door een afspraak over stemrechten toch meer dan 50 procent van de stemmen kunnen uitoefenen. In dat geval kan toch aan de belangvoorwaarde zijn voldaan.

Ook winstgerechtigdheid kan zelfstandig relevant zijn. De juridische en economische vormgeving van financieringen en deelnemingen verdient daarom aandacht. Alleen naar het percentage gewone aandelen kijken kan een onvolledig beeld geven.

Gelieerde partijen kunnen de uitkomst veranderen

De CFC-regeling kijkt niet uitsluitend naar het belang dat de Nederlandse belastingplichtige zelf houdt. Ook belangen van gelieerde lichamen en gelieerde natuurlijke personen kunnen een rol spelen.

Voor deze gelieerdheid geldt een grens van ten minste 25 procent. Ook hier kan het gaan om aandelen, statutaire stemrechten of winstgerechtigdheid.

In grote lijnen kan gelieerdheid onder meer aan de orde zijn wanneer:

  • de Nederlandse belastingplichtige ten minste 25 procent in een ander lichaam houdt;
  • een ander lichaam of een natuurlijke persoon ten minste 25 procent in de Nederlandse belastingplichtige houdt;
  • dezelfde persoon of hetzelfde lichaam ten minste 25 procent houdt in zowel de Nederlandse belastingplichtige als een andere vennootschap.

Daardoor kan de CFC-analyse aanzienlijk verder reiken dan een eenvoudig organogram met directe dochtermaatschappijen.

Waarom joint ventures extra aandacht verdienen

Voor startups en scale-ups is dit vooral relevant bij joint ventures. Een onderneming kan een minderheidsbelang in een joint venture hebben en er daarom vanuit gaan dat zij geen controle heeft over de vennootschappen onder die joint venture. Voor de CFC-regeling kan dat anders uitpakken.

Stel dat een Nederlandse BV 33,33 procent houdt in een joint venture. De overige aandelen zijn in handen van derden. De joint venture bezit vervolgens 100 procent van een buitenlandse dochtermaatschappij.

De joint venture zelf is op basis van het belang van 33,33 procent geen CFC van de Nederlandse BV. Maar de dochtermaatschappij daaronder kan dat wel zijn. De joint venture kwalificeert namelijk als gelieerd lichaam en haar belang van 100 procent in de dochter kan voor de controlevraag worden meegeteld.

Bij de uiteindelijke toerekening van de relevante inkomsten wordt vervolgens wel naar rato van het belang van de Nederlandse belastingplichtige gewerkt. In het voorbeeld kan dus 33,33 procent van het relevante inkomen aan de Nederlandse BV worden toegerekend.

Dat resultaat is niet direct intuïtief. Een indirecte investering via een joint venture kan voor de CFC-regeling anders uitwerken dan een rechtstreeks minderheidsbelang met hetzelfde economische percentage.

Voor groeibedrijven die regelmatig nieuwe groepsvennootschappen, joint ventures of buitenlandse samenwerkingsverbanden opzetten, is het daarom verstandig om niet alleen het directe percentage per entiteit te bekijken. De volledige deelnemingsketen is relevant.

In welk land moet de buitenlandse vennootschap zijn gevestigd?

Een lichaam kan alleen binnen deze CFC-regeling vallen als het is gevestigd in een staat die daarvoor is aangewezen.

De lijst van aangewezen staten wordt jaarlijks vastgesteld. Daarbij bestaan twee belangrijke categorieën: laagbelastende staten en jurisdicties die op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden staan.

Wanneer is een land laagbelastend?

Een laagbelastende staat is in dit verband een staat die lichamen niet belast met een belasting naar de winst, of daarvoor een algemeen statutair tarief van minder dan 9 procent hanteert.

Een belangrijk detail is dat wordt gekeken naar het algemene statutaire tarief. De feitelijke belastingdruk die een specifieke onderneming uiteindelijk ervaart, is voor deze toets niet bepalend.

Dat onderscheid is belangrijk. Een buitenlandse vennootschap kan door aftrekposten of andere omstandigheden in de praktijk weinig belasting betalen zonder dat haar vestigingsstaat daarom automatisch een laagbelastende staat voor de CFC-regeling is. Andersom is niet de individuele effectieve belastingdruk het uitgangspunt, maar het algemene wettelijke tarief van het betreffende land.

Voor de beoordeling geldt bovendien een specifiek meetmoment. Relevant is de situatie op 1 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het belastingtijdvak van de Nederlandse belastingplichtige begint.

De Europese lijst van niet-coöperatieve jurisdicties

Daarnaast kunnen jurisdicties worden aangewezen omdat zij op de Europese lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden staan.

Deze Europese lijst houdt verband met onder meer fiscaal bestuur, belastingheffing en fiscale transparantie. Een land kan van de lijst verdwijnen wanneer het aan de relevante standaarden voldoet. Omgekeerd kunnen landen na verloop van tijd worden toegevoegd.

Dat maakt de CFC-analyse tot een terugkerend aandachtspunt. Een groepsstructuur die bij oprichting buiten de regeling valt, hoeft niet automatisch jarenlang dezelfde fiscale behandeling te behouden.

Voor boekjaren die in 2026 aanvangen, bevat de Nederlandse regeling zowel een groep laagbelastende staten als een groep niet-coöperatieve rechtsgebieden. Tot de aangewezen laagbelastende staten behoren onder meer Bermuda, de Britse Maagdeneilanden, de Kaaimaneilanden, Jersey, Guernsey en de Bahama’s. Op de lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden komen voor 2026 onder meer Panama, Fiji, Samoa en de Russische Federatie voor.

Sommige jurisdicties vallen in beide categorieën.

Voor een internationaal groeiende onderneming is daarom een jaarlijkse check zinvol, zeker wanneer binnen de groep vennootschappen bestaan in jurisdicties met een relatief laag winstbelastingtarief.

Wat als een vennootschap in twee landen is gevestigd?

Een buitenlandse vennootschap kan onder omstandigheden volgens de regels van meer dan één staat als inwoner worden beschouwd.

Dat kan relevant zijn wanneer een van die landen een aangewezen staat is, maar het lichaam ook in een andere, niet-aangewezen staat is gevestigd en daar aan belasting naar de winst is onderworpen.

De CFC-regeling bevat voor zo’n situatie een belangrijke nuance. De enkele aanwezigheid van een vestigingsplaats in een aangewezen staat hoeft dan niet automatisch te betekenen dat de CFC-regeling wordt toegepast.

De gedachte daarachter is begrijpelijk. Wanneer de winst vanwege de andere vestigingsplaats al voldoende aan een winstbelasting is onderworpen, ligt toepassing van de aanvullende CFC-regeling minder voor de hand.

De belastingplichtige moet die positie wel kunnen onderbouwen. Daarbij kunnen bijvoorbeeld stukken van de buitenlandse belastingautoriteiten van belang zijn waaruit blijkt dat het lichaam in de andere staat als inwoner aan winstbelasting is onderworpen.

Voor internationale groepen betekent dit dat documentatie over fiscale vestigingsplaatsen niet alleen administratief van belang is. Die informatie kan rechtstreeks relevant zijn voor de toepassing van de CFC-regels.

Welke inkomsten kunnen door de CFC-regeling worden geraakt?

Niet de volledige winst van iedere buitenlandse CFC wordt zonder meer in Nederland belast. De regeling richt zich op specifieke categorieën inkomsten en op het gedeelte daarvan dat niet is uitgekeerd.

Het gaat om zogenoemde besmette voordelen. Daarbij speelt vooral passief inkomen een rol. Voorbeelden zijn rente en andere voordelen uit financiële activa, royalty-inkomsten en dividendinkomsten.

Voor techbedrijven is vooral de behandeling van inkomsten rond immateriële activa een belangrijk aandachtspunt. De achtergrond van de regeling is immers mede dat relatief mobiele activa kunnen worden verplaatst naar een laagbelastende jurisdictie, waarna de daarmee samenhangende opbrengsten daar terechtkomen.

De relevante voordelen worden voor de toepassing van de Nederlandse belastingheffing naar Nederlandse maatstaven bepaald. Ook samenhangende kosten worden bij die berekening betrokken.

Daarnaast ziet de regeling op niet-uitgekeerd inkomen. Daarmee probeert de regeling te voorkomen dat Nederlandse belastingheffing eenvoudig kan worden uitgesteld door de winst langdurig in de buitenlandse vennootschap te laten zitten.

De toerekening vindt bovendien naar rato van het belang plaats. Een Nederlandse onderneming met een indirect belang krijgt dus niet zonder meer 100 procent van de relevante buitenlandse inkomsten toegerekend.

Niet iedere buitenlandse dochter leidt tot CFC-heffing

Het bestaan van een meerderheidsbelang in een vennootschap in een aangewezen staat betekent nog niet automatisch dat de Nederlandse moeder over de relevante buitenlandse winst moet afrekenen.

De regeling bevat verschillende uitzonderingen.

Zo kan een lichaam buiten de toepassing vallen wanneer zijn voordelen doorgaans hoofdzakelijk bestaan uit andere voordelen dan de besmette voordelen waarop de CFC-regeling zich richt.

Voor bepaalde financiële ondernemingen bestaat daarnaast een afzonderlijke uitzondering wanneer de besmette voordelen doorgaans hoofdzakelijk afkomstig zijn van anderen dan de Nederlandse belastingplichtige of daarmee gelieerde lichamen en natuurlijke personen.

Voor de bredere startuppraktijk is vooral de uitzondering voor een wezenlijke economische activiteit belangrijk.

Wezenlijke economische activiteit als belangrijke uitzondering

Wanneer het gecontroleerde lichaam een wezenlijke economische activiteit uitoefent, vindt ondanks de kwalificatie als gecontroleerd lichaam geen toerekening van CFC-voordelen aan de Nederlandse belastingplichtige plaats.

Dat maakt duidelijk dat de regeling niet simpelweg iedere onderneming in een laagbelastend land op dezelfde manier behandelt. De feitelijke economische aanwezigheid en activiteit van de buitenlandse entiteit kan beslissend zijn.

Voor een startup die daadwerkelijk internationaal uitbreidt is dat onderscheid relevant. Er is een wezenlijk verschil tussen een buitenlandse vennootschap waarin vooral bepaalde inkomsten worden ondergebracht en een entiteit die daadwerkelijk economische activiteiten verricht.

De aanwezigheid van een buitenlandse dochter op zichzelf zegt daarom nog onvoldoende. Na de beoordeling van het belang en de vestigingsstaat moet ook naar de functie van de vennootschap en de aard van haar activiteiten worden gekeken.

Let op mogelijke dubbele CFC-heffing

Een opvallend onderdeel van de Nederlandse regeling is dat dezelfde buitenlandse vennootschap op verschillende niveaus binnen een groepsstructuur als CFC kan worden aangemerkt.

Stel dat een Nederlandse moedervennootschap alle aandelen houdt in een tweede Nederlandse BV en die tweede BV op haar beurt alle aandelen houdt in een buitenlandse CFC.

De tweede Nederlandse BV heeft dan een rechtstreeks belang van 100 procent in de buitenlandse vennootschap. Maar de bovenliggende Nederlandse moeder heeft indirect eveneens een belang van 100 procent.

Daardoor kan dezelfde buitenlandse vennootschap vanuit beide Nederlandse vennootschappen als CFC worden behandeld. Het relevante inkomen kan vervolgens op beide niveaus in de belastingheffing terechtkomen.

De wetgever heeft bewust niet gekozen voor een algemene regeling die deze vorm van dubbele CFC-heffing steeds voorkomt. De maatregel is mede bedoeld als een fiscaal stopbord tegen bepaalde structuren en kan daardoor een prohibitief karakter hebben.

In een specifieke Nederlandse groepsstructuur kan een fiscale eenheid dubbele heffing zoals in het genoemde voorbeeld voorkomen. Dat neemt niet weg dat dubbele CFC-heffing breder een aandachtspunt blijft, ook wanneer verschillende landen in de aandeelhoudersketen een rol spelen.

Voor scale-ups met meerdere holdings en internationale dochtermaatschappijen is het daarom onvoldoende om de CFC-toets uitsluitend bij de directe Nederlandse aandeelhouder uit te voeren. Ook hoger in de structuur kunnen gevolgen ontstaan.

CFC-regels kunnen samenlopen met andere fiscale maatregelen

De CFC-regeling staat niet volledig op zichzelf. Er kan ook samenloop ontstaan met andere fiscale maatregelen.

Zo kan CFC-heffing samengaan met een bijheffing op grond van de Wet minimumbelasting 2024. Ook samenloop met de Nederlandse bronbelasting is mogelijk.

Voor dergelijke situaties is niet steeds een specifieke samenloopregeling getroffen. Het prohibitieve karakter van de CFC-maatregel speelt daarbij een rol.

Dit maakt internationale fiscale structurering vooral voor verder ontwikkelde scale-ups complexer. Een buitenlandse vennootschap kan niet alleen vanuit één fiscale regeling worden beoordeeld. Verschillende heffingen kunnen tegelijkertijd relevant worden.

De invoering van de minimumbelasting heeft bovendien invloed op de praktische betekenis van de CFC-regeling. De verwachting is dat deze nieuwe belasting in bepaalde situaties een deel van de functie van de aanvullende CFC-maatregel overneemt.

Waarom de CFC-regeling juist voor techbedrijven aandacht verdient

De CFC-regeling is geen regel waar iedere beginnende startup direct mee wordt geconfronteerd. Zodra een onderneming internationaal groeit, kan dat snel veranderen.

Dat geldt vooral voor techbedrijven met buitenlandse deelnemingen, internationale joint ventures, financieringsstructuren of waardevolle immateriële activa.

Bij Startup-Recht zien we dat ondernemingsstructuren tijdens snelle groei steeds meer lagen kunnen krijgen. Een Nederlandse holding krijgt buitenlandse dochters, investeerders stappen in, een joint venture wordt opgericht en intellectuele eigendomsrechten worden binnen de groep verdeeld. Vanuit ondernemingsrechtelijk perspectief kunnen al die stappen afzonderlijk logisch zijn. Voor de CFC-regeling moet vervolgens juist naar de samenhang worden gekeken.

Een belang onder de 50 procent betekent bijvoorbeeld niet automatisch dat de CFC-regeling buiten beeld blijft. Belangen van gelieerde partijen kunnen worden meegeteld. Ook een indirect gehouden dochter onder een joint venture kan daardoor relevant worden.

Daarnaast kan de fiscale positie van een land veranderen. De lijst van aangewezen staten wordt jaarlijks vastgesteld. Een structuur moet daarom niet alleen bij de oprichting worden beoordeeld.

Praktische CFC-check voor startups en scale-ups

Een bruikbare eerste analyse begint bij het volledige internationale organogram. Breng niet alleen de directe buitenlandse deelnemingen in kaart, maar ook indirecte belangen, joint ventures en de belangen van gelieerde partijen.

Kijk vervolgens per buitenlandse entiteit naar de volgende vragen:

  • Hoe groot is het belang in aandelen, stemrechten en winst?
  • Welke gelieerde lichamen of personen houden daarnaast een belang?
  • Is de vennootschap gevestigd in een jaarlijks aangewezen staat?
  • Geldt daar een algemeen statutair winstbelastingtarief van minder dan 9 procent?
  • Staat de jurisdictie op de relevante Europese lijst?
  • Heeft de vennootschap mogelijk meer dan één fiscale vestigingsplaats?
  • Welke soorten inkomsten ontvangt de vennootschap?
  • Welk gedeelte daarvan is niet uitgekeerd?
  • Verricht de buitenlandse entiteit een wezenlijke economische activiteit?
  • Kan dezelfde buitenlandse vennootschap op verschillende niveaus binnen de groep als CFC kwalificeren?

Vooral na een herstructurering, nieuwe financieringsronde, internationale acquisitie of het aangaan van een joint venture kan deze analyse opnieuw nodig zijn. Een verandering in stemrechten of winstgerechtigdheid kan namelijk net zo relevant zijn als een wijziging van het aandelenpercentage.

De CFC-regeling draait om meer dan alleen het belastingtarief

De belangrijkste valkuil is om de CFC-regeling terug te brengen tot de vraag of een buitenlandse dochter in een belastingparadijs zit. De regeling is breder en technisch genuanceerder.

De vestigingsstaat is slechts één onderdeel. Ook controle, gelieerdheid, indirecte belangen, de aard van de inkomsten, het al dan niet uitkeren van die inkomsten en de economische activiteit van het buitenlandse lichaam spelen een rol.

Voor startups en scale-ups met een overzichtelijke Nederlandse structuur blijft dit vaak een onderwerp voor later. Maar zodra de onderneming internationaal wordt, kunnen relatief gewone groeistappen onverwachte fiscale gevolgen hebben.

Juist daarom verdient de CFC-regeling een plek op de fiscale checklist bij internationale expansie. Wie vooraf de eigendomsstructuur, de buitenlandse activiteiten en de inkomstenstromen in kaart brengt, krijgt eerder zicht op mogelijke Nederlandse belastingheffing en voorkomt dat een buitenlandse vennootschap pas bij de aangifte vennootschapsbelasting als CFC wordt herkend.

Testimonials

Wat onze klanten zeggen

Startups en scale-ups werken graag met ons samen. Lees hoe ondernemers onze betrokkenheid en expertise ervaren.

Top ervaring met de mannen van Startup Recht. Ze handelen snel zonder in te leveren op kwaliteit. Iets wat start-ups goed kunnen gebruiken!
Daan Witte
Gradient Data Science B.V.
legal expertise for fast moving startups in regulated industries. Startup-Recht provides the legal foundation for us to innovate at Pabel AI.
Stan Haaijer
Co-founder Pabel B.V.
Goede, energieke juristen met duidelijke inhoudelijke expertise. Er wordt snel geschakeld en proactief meegedacht, waarbij oplossingen worden gevonden voor innovatieve en soms complexe vraagstukken binnen onze sector: Open Source Consulting. De stukken werden op tijd geleverd en communicatie daarover was helder en tijdig. We hebben de documenten ook laten reviewen door meerdere juristen, die onder de indruk waren van de kwaliteit. Op inhoudelijke feedback is sterk en zorgvuldig ingespeeld. Dit geeft ons vertrouwen in onze nieuwe juridische fundering. Dank voor de prettige samenwerking, tot snel.
Niels Verhage
Co-founder Rogue IT Consulting B.V.
Maarten en Caylun van Startup-Recht, ondersteunen mij bij het opzetten van mijn onderneming. Dat doen ze op een zéér prettige en professionele manier. Het is voor mij als ondernemer heel fijn om gebruik te kunnen maken van hun expertise met startups. Ik kan vragen stellen wanneer ik ze heb en krijg altijd snel een reactie. Daarnaast nemen ze mij al het juridische werk uit handen en helpen bij het opstellen van de juiste documenten. Kortom, ik ben heel erg blij met deze samenwerking en kan ze van harte aanbevelen.
Erik Maessen
Founder CoachChecker B.V.
Erg fijne samenwerking gehad. Ze dachten goed mee, leefden zich sterk in in onze visie en hebben ons op een prettige en professionele manier geholpen. Het contact was persoonlijk en duidelijk. Zeker een aanrader.
Luc de Graag
Co-founder Tikt.ai
We had an excellent experience working with Startup-Recht. Their team combines professionalism with a genuine understanding of startups’ needs, guiding us through every step with clarity and efficiency. They didn’t just answer our questions, but also anticipated challenges and offered practical solutions that gave us real peace of mind. Highly recommended for any young company looking for reliable legal support.
Luis Martinez
Co-founder UpTo
Logo staallokaal
Bij Startup-Recht is de combinatie van jong ondernemerschap en goed advies goud waard. Als ondernemer weet je dat je iets met voorwaarden moet doen, maar het komt er vaak niet van — tot Startup-Recht aanschuift. In een helder tempo nemen ze je mee in wat echt belangrijk is en zorgen ze voor voorwaarden die bij je bedrijf passen. Een perfecte balans tussen klantgericht en veilig ondernemen. Twijfel je? Drink een kop koffie met de heren en je bent overtuigd.
Sybrandus Pietersma
Mede-eigenaar Staallokaal B.V.
Zeer tevreden over Startup-Recht. Ze hebben ons geholpen met meerdere contracten en algemene voorwaarden, en wisten onze dienstverlening en werkwijze perfect te vertalen naar krachtige juridische documenten. Alles werd helder uitgelegd en ze namen ook punten mee waar wij zelf niet aan gedacht hadden. Snel schakelen, duidelijke communicatie en een topresultaat.
Daniël Coenen
Mede-oprichter Digiswift B.V.
Wij hebben Startup-Recht ingeschakeld voor het opstellen van onze algemene voorwaarden en opdrachtovereenkomst. Het resultaat was snel, van hoge kwaliteit en volledig afgestemd op onze wensen dankzij de revisierondes. Daarnaast dacht Startup-Recht goed mee in de context van ons bedrijf. Professioneel, betrouwbaar en prettig om mee samen te werken.
Paul Brandsma
Mede-oprichter AcuityAi

Startup-Recht heeft mij op deskundige en zorgvuldige wijze bijgestaan. De dienstverlening werd gekenmerkt door voortvarendheid, transparantie en een correcte afwikkeling, en dit alles tegen een alleszins redelijke prijsstelling. Ik acht de samenwerking betrouwbaar en aanbevelenswaardig.

Michael de Jong
Webdeveloper & Founder
Maarten en Caylun hebben ons uitstekend geholpen bij het opstellen van stevige voorwaarden en het voldoen aan de juiste juridische eisen. We hadden hier zelf weinig kennis van, maar zij namen de tijd om alles goed uit te leggen en advies te geven voor de toekomst. Al met al zijn we erg goed geholpen door de jongens van Startup-Recht en bevelen hen zeker aan.
Robin Jonckers
Co-founder Copywise Ai
Caylun en Maarten van Startup-Recht

Ontmoet jouw moderne juridische partner. Werken wordt eenvoudiger, sneller en zekerder.

Maak een afspraak